Knowledge Base

Uw iDRAC 6 en Lifecycle Controller voor Dell PowerEdge 12G servers installeren en beheren


 

Samenvatting van het artikel: Dit artikel bevat informatie over de installatie en het beheer van de iDRAC6 en Lifecycle Controller voor PowerEdge 11G servers.


 

Inhoudsopgave:

  1. iDRAC installeren en beheren
  2. Lifecycle Controller begrijpen en configureren
 
 
Opmerking: De serie Dell 11G servers omvat de volgende modellen: T110, T110 II, R210, R210 II, R310, T310, R410, T410, R415, R510, R515, R610, T610, R710, T710, R715, R810, R815, R910, M610x, M610, M710, M710HD, M810 en M915

 

1: iDRAC installeren en beheren

 

Standaardaanmeldingsgegevens iDRAC:

Gebruikersnaam = root

Wachtwoord = calvin


Aan de slag met uw Integrated Dell Remote Access Controller 6 (iDRAC6)

 

Met de iDRAC6 kunt u op afstand een Dell systeem bewaken en problemen oplossen en herstellen, zelfs wanneer het systeem is uitgeschakeld.

De iDRAC6 bevat een scala aan functies zoals console-omleiding, virtuele media, virtuele KVM, smartcard-authenticatie en single sign-on.

Het beheerstation is het systeem waarvan een beheerder op afstand een Dell systeem met een iDRAC6 beheert.

De systemen die op deze manier worden bewaakt, worden beheerde systemen genoemd.
 

U kunt eventueel Dell™ OpenManage™ software zowel op het beheerstation als op het beheerde systeem installeren.

Zonder de software van het beheerde systeem kunt u de RACADM niet lokaal gebruiken en kan de iDRAC6 het laatste vastgelopen scherm niet vastleggen.



Als u uitgebreider kennis wilt maken met de iDRAC6, gebruik dan de volgende koppelingen:
 

Is er bij mij een iDRAC geïnstalleerd?

Bij de volgende systemen wordt standaard een iDRAC meegeleverd: R710, T610, R610, R810, R910

Bij de systemen T110, R210, R310, T310 , R410, T410, R510 kunt u uit de volgende opties kiezen:

  • BMC, IPMI2.0 compatibel (Baseboard Management Controller)

  • Dell™ OpenManage™

  • Unified Server Configurator

  • LifeCycle Controller optioneel ingeschakeld via: iDRAC6 Express, iDRAC6 Enterprise en vFlash

 

Kijk of u de volgende melding ziet om na te gaan of een iDRAC bij u is geïnstalleerd (Afbeelding 1 (alleen in het Engels)).  Deze melding verschijnt aan het einde van het POST-proces.

DRAC 2 
Afbeelding 1:Nagaan of iDRAC is geïnstalleerd

 

 


 

Uw systeem configureren voor het gebruik van een iDRAC6

Als u uw systeem wilt configureren voor het gebruik van een iDRAC6, gebruik dan de iDRAC6 Configuration Utility.
 

De iDRAC6 Configuration Utility uitvoeren: (voordat u begint, is het altijd goed om eerst de firmware van uw systeem bij te werken. Onder Stap 6: Uw iDRAC up-to-date houden leest u hoe u dat kunt doen)

  1. Start het systeem (opnieuw) op.

  2. Druk op <Ctrl>wanneer u hierom tijdens POST gevraagd wordt. Als uw besturingssysteem al begint te laden voordat u op kunt drukken, laat het systeem dan eerst helemaal opstarten en start uw systeem vervolgens nogmaals op en probeer het opnieuw.

  3. Configureer de LOM (LAN op moederbord - netwerkkaart). Gebruik de pijltoetsen om LAN-parameters voor te selecteren en druk op . NIC-selectie wordt weergegeven. Selecteer een van de volgende NIC-modi met de pijltoetsen:

     

    Dedicated (Speciaal) — Selecteer deze optie zodat het apparaat voor externe toegang de speciale netwerkinterface op de iDRAC6 Enterprise kan gebruiken. Deze interface wordt niet gedeeld met het hostbesturingssysteem en leidt het beheerverkeer naar een apart fysiek netwerk, zodat het van het applicatieverkeer kan worden gescheiden. Deze optie is alleen beschikbaar als een iDRAC6 Enterprise op het systeem is geïnstalleerd. Nadat u de iDRAC6 Enterprise kaart geïnstalleerd hebt, moet u de NIC-selectie op Dedicated (Speciaal) zetten. Dit kan worden gedaan via de hulpprogramma's voor configuratie van iDRAC6, de iDRAC6 webinterface of via RACADM.

    Shared (Gedeeld) — Selecteer deze optie om de netwerkinterface met het hostbesturingssysteem te delen. De netwerkinterface van het apparaat voor externe toegang is volledig functioneel wanneer het hostbesturingssysteem voor koppeling met NIC is geconfigureerd. Het apparaat voor externe toegang ontvangt data via NIC 1 en NIC 2, maar verzendt alleen data via NIC 1. Als NIC 1 uitvalt, is er geen toegang tot het apparaat voor externe toegang. Basisinstallatie van de iDRAC6 35

    Shared with Failover LOM2 (Gedeeld met failover LOM2) — Selecteer deze optie de netwerkinterface met het hostbesturingssysteem te delen. De netwerkinterface van het apparaat voor externe toegang is volledig functioneel wanneer het hostbesturingssysteem voor koppeling met NIC is geconfigureerd. Het apparaat voor externe toegang ontvangt data via NIC 1 en NIC 2, maar verzendt alleen data via NIC 1. Als NIC 1 uitvalt, schakelt het apparaat voor externe toegang over op NIC 2 voor alle data-overdracht. Het apparaat voor externe toegang blijft NIC 2 voor
    data-overdracht gebruiken. Als NIC 2 uitvalt, schakelt het apparaat voor externe toegang alle data-overdracht weer terug naar NIC 1 als de storing in NIC1 is verholpen.

    Shared with Failover All LOMs (Gedeeld met failover alle LOM's) — Selecteer deze optie om de netwerkinterface met het hostbesturingssysteem te delen. De netwerkinterface van het apparaat voor externe toegang is volledig functioneel wanneer het hostbesturingssysteem voor koppeling met NIC is geconfigureerd. Het apparaat voor externe toegang ontvangt data via NIC 1, NIC 2, NIC 3 en NIC 4, maar verstuurt alleen data via NIC 1. Als NIC 1 uitvalt, schakelt het apparaat voor externe toegang alle data-overdracht over naar NIC 2. Als NIC 2 uitvalt, schakelt het apparaat voor externe toegang alle data-overdracht over naar NIC 3. Als NIC 3 uitvalt, schakelt het apparaat voor externe toegang alle data-overdracht over naar NIC 4. Als NIC 4 uitvalt, schakelt het apparaat voor externe toegang alle data-overdracht alleen terug naar NIC 1 als de storing bij NIC 1 is verholpen

    Configureer de LAN-parameters van de netwerkcontroller om DHCP of een statisch IP-adres als bron te gebruiken.

    1. Selecteer LAN Parameters (LAN-parameters) met pijl-omlaag en druk op .

    2. Selecteer IP Address Source (IP-adresbron) met pijl-omhoog en pijl-omlaag.

    3. Selecteer DHCP, Auto Config (Automatisch configureren) of Static (Statisch) met pijl-rechts en pijl-links.

    4. Als u Static (Statisch) selecteert, moet u de instellingen voor het IP-adres, subnetmasker en de standaardgateway configureren.

    5. Druk op .

  4. Druk op .

  5. Selecteer 'Save changes and Exit' (Wijzigingen opslaan en afsluiten).

    Demo procedure Dell iDRAC6


 

Toegang tot de webinterface

  1. Toegang tot de webinterface. Voor toegang tot de iDRAC6 webinterface voert u de volgende stappen uit: Open een venster van een ondersteunde webbrowser. Ga naar stap 2 als u toegang tot de webinterface wilt met een IPv4-adres. Ga naar stap 3 als u toegang tot de webinterface wilt met een IPv6-adres.

  2. Toegang tot de webinterface met een IPv4-adres; IPv4 moet zijn ingeschakeld: typ https:// in de adresbalk van de browser en druk vervolgens op .

  3. Toegang tot de webinterface met een IPv6-adres; IPv6 moet zijn ingeschakeld. Typ https:// in de adresbalk van de browser en druk vervolgens op .

  4. Als poort 443, het standaard HTTPS-poortnummer, is gewijzigd, typ dan: https://: waarbij het iDRAC-IP-adres het IP-adres voor de iDRAC6 is en poortnummer het HTTPS-poortnummer.

  5. Typ https:// in het adresveld en druk . Als poort 443, het standaard HTTPS-poortnummer, is gewijzigd, typ dan: https://: waarbij iDRAC-IP-adres het IP-adres voor de iDRAC6 is en poortnummer het HTTPS-poortnummer. Het aanmeldingsvenster voor iDRAC6 wordt weergegeven. Aanmelden voor de configuratie van de iDRAC6 met de webinterface 47. U kunt zich als iDRAC6-gebruiker of als Microsoft Active Directory-gebruiker aanmelden. Standaard zijn de gebruikersnaam en het wachtwoord voor een iDRAC6 gebruiker respectievelijk root en calvin. De beheerder moet u aanmeldingsrechten voor iDRAC hebben gegeven als u zich bij iDRAC6 wilt aanmelden.


 

Aanmelden bij de iDRAC

  1. In het veld Username (Gebruikersnaam) voert u een van de volgende gegevens in:

    Uw iDRAC6 gebruikersnaam. De gebruikersnaam voor lokale gebruikers is hoofdlettergevoelig. Voorbeelden zijn root, it_user, or john_doe.

    Uw Active Directory-gebruikersnaam. Active Directory-namen kunnen als volgt worden ingevoerd , \, / of
    @. Ze zijn niet hoofdlettergevoelig. Voorbeelden zijn dell.com\john_doe,or JOHN_DOE@DELL.COM.

    In het veld Password (Wachtwoord) voert u uw iDRAC6-gebruikerswachtwoord of Active Directory-gebruikerswachtwoord in. Wachtwoorden zijn hoofdlettergevoelig.

  2. In de vervolgkeuzelijst Domain (Domein) selecteert u This iDRAC (Deze iDRAC) om u als iDRAC6 gebruiker aan te melden of selecteert u een van de beschikbare domeinen om u als Active Directory-gebruiker aan te melden.

    Opmerking voor Active Directory-gebruikers: als u de domeinnaam als deel van de gebruikersnaam hebt opgegeven, selecteert u This iDRAC (Deze iDRAC) in de vervolgkeuzelijst
  3. Klik op OK of druk op .

 

vFlash gebruiken

De Dell vFlash mediakaart geeft extra functionaliteit aan klanten die al een iDRAC6 Enterprise kaart hebben. Dell vFlash-media is een 8 GB SD-kaart (secure digital) van Dell die op de dochterkaart van iDRAC6 Enterprise past. In dit whitepaper wordt besproken hoe u de vFlash kunt installeren en gebruiken. Dell™ vFlash gebruiken


 

 

Terug naar boven


 

2: Lifecycle Controller begrijpen en configureren

 

Dell Lifecycle Controller vereenvoudigt het levenscyclusbeheer van de server: van inrichting, implementatie, patches en updates tot onderhoud en aanpassing voor gebruikers, voor zowel lokale als externe servers.

Het product is beschikbaar als onderdeel van deDell Remote Access Controller of iDRAC (Express, Enterprise en vFlash) vanaf Dell PowerEdge 11G-servers.

Meer informatie over de Dell Lifecycle Controller vindt u hier: Lifecycle Controller.

 

Lifecycle Controller reduceert de tijd en het aantal te nemen stappen voor het uitvoeren van taken, beperkt de kans op fouten en verhoogt uptime en beveiliging van servers en applicaties, en leidt tot efficiënter IT-beheer.

Lifecycle Controller is ontwikkeld op het UEFI-platform (de industriestandaard Unified Extensible Firmware Interface) en WSMan-interfaces (Web Services voor Management) en biedt een open omgeving voor console-integratie die ook het schrijven van aangepaste scripts voor Lifecycle Controller ondersteunt.

 

De Dell Lifecycle Controller is geïntegreerd in toonaangevende systeembeheerconsoles (zoals Microsoft® System Center Configuration Manager, BMC Software BladeLogic® Operations Manager, Symantec™ Deployment Solution, Dell™ Management Console), wat de functies en mogelijkheden beschikbaar maakt in bestaande infrastructuren waarin deze consoles zijn geïnstalleerd.



 

Terug naar boven

 



Need more help?
Find additional PowerEdge and PowerVault articles

Visit and ask for support in our Communities

Create an online support Request


Artikel-id: SLN85572

Laatste wijzigingsdatum: 06-11-2017 10:59


Beoordeel dit artikel

Nauwkeurig
Nuttig
Eenvoudig te begrijpen
Was dit artikel nuttig?
Ja Nee
Stuur ons feedback
Opmerkingen mogen geen speciale tekens bevatten: <>() \
Excuses, ons feedbacksysteem is momenteel offline. Probeert u het later nog eens.

Hartelijk dank voor uw feedback.